Criminele Vonnissen

NOOT:
BHIC = Brabants Historisch Informatie Centrum (https://www.bhic.nl)

J-V-b Gerardus Jongeneelen, geboren op 11 oktober 1872

Militaire zaken
Gerardus was stukrijder bij het 3e bataljon 1ste afdeling, 3e regiment Veldartillerie in Breda
Wegens overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht heeft de plaatselijke Commandant te Breda de aanhouding bevolen van Gerardus Jongeneelen.
Vervolgens is Gerardus op 8 juni 1893 door de Krijgsraad in ’s-Hertogenbosch onherroepelijk veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf vanwege geweldpleging. Hij heeft zijn straf uitgezeten van 2 juni 1893 tot 29 november 1893. Op 24 juli 1893 is Gerardus overgebracht naar de strafgevangenis in Rotterdam. Zijn gedrag in de gevangenis was goed.

Wegens insubordinatie (verzet tegen de verplichte gehoorzaamheid) is Gerardus op 14 februari 1895 op Bevelschrift van de garnizoenscommandant te Roermond en door sententie (vonnis) van het Hoog Militair gerechtshof op 15 maart 1895 (uitgesproken 22 maart 1895) één jaar gevangenisstraf opgelegd. De straf ging in op 18 februari 1895 en eindigde op 18 februari 1896. Op 3 april 1895 werd Gerardus tot het ondergaan van de verdere straf van ’s-Hertogenbosch naar de strafgevangenis in Rotterdam vervoerd. Ook hier was zijn gedrag tijdens zijn gevangenistijd goed.

Uiterlijke kenmerken van Gerardus:
Lengte 179 cm; Haar blond; Wenkbrauwen blond; Voorhoofd laag; Ogen blauw; Neus gewoon; Mond gewoon; Kin rond; Kleur gezond.
Bron: BHIC/Rechtbanken


J-VI-a Adriaan Jongeneelen, geboren op 7 juli 1846

Dronkenschap
Adriaan is op 1 september 1891 voor de duur van 6 maanden opgenomen in de de gevangenis te Hoorn wegens dronkenschap bij achtste herhaling. Dagtekening der onherroepelijk geworden veroordeling door kantongerecht te Delft op 25 juni 1891. Op de datum van ontslag (28 februari 1892) overgebracht naar het Huis van Bewaring te Alkmaar.
In totaal is Adriaan driemaal opgenomen voor dronkenschap.

Uiterlijke kenmerken:
Lengte: 1 m 67 cm, Haar: blond (kaalhoofdig), Wenkbrauwen: blond, Voorhoofd: hoog, Ogen: bruin, Neus: gewoon, Kin: rond, Baard: zwart, Aangezicht: ovaal


T-V-c Maria Theunisse, geboren 17 april 1819

Diefstal 1 augustus 1870
Op 1 augustus 1870 eigent Anna Maria zich enige erwten toe, die na gewassen te zijn, te drogen liggen op een stuk land in de Westpolder van Steenbergen. Van het gebeuren wordt door de gemeente veldwachter van Steenbergen proces-verbaal opgemaakt. Op 10 oktober 1870 komt deze zaak aan de orde bij de Arrondissementsrechtbank te Breda. De strafeis luidt 14 dagen gevangenisstraf. Anna Maria is daarbij aanwezig en verklaart ter verdediging dat zij de erwten opzij wilde leggen, omdat deze haar in de weg lagen. Uiteindelijk verklaart beklaagde (Anna Maria) zich schuldig aan het haar ten laste gelegde. Tijdens de tweede rechtszitting op 17 oktober 1870 wordt Anna Maria veroordeeld wegens diefstal van oogst van het land en wordt haar verklaring nietig verklaard, omdat het proces-verbaal is opgemaakt door een beëdigd persoon. De straf luidt: 3 dagen gevangenisstraf, waarbij rekening wordt gehouden met de geringe waarde van het gestolen goed (25 cent) en de behoeftige omstandigheden waarin Anna Maria verkeert.
Zij heeft haar straf uitgezeten van 9 tot 12 november 1870. 
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Uiterlijke kenmerken Anna Maria:
Lengte 158 cm; aangezicht ovaal; kleur blozend; voorhoofd hoog; neus gewoon; mond gewoon; kin rond; ogen blauw; wenkbrauwen blond; haar blond.


T-V-k Jacobus Teunisse, geboren 15 juni 1837

Bedelarij 19 februari 1855
Wegens Politievoorziening is Jacobus op 19 februari 1855 op last van de Commissaris van Politie te Breda ondergebracht in de gevangenis van Breda. Op 20 februari is hij naar Steenbergen vervoerd en ter beschikking van de Burgemeester aldaar gesteld. Aanleiding nog onbekend.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Bedelarij 3 december 1855
Op 3 december 1855 is Jacobus op bevel van de Commissaris van Politie in Bergen op Zoom gevangen gezet te Breda wegens bedelarij aldaar. Op 22 december 1855 is hij door de Officier van Justitie te Breda in vrijheid gesteld omdat er verder geen termen aanwezig zijn hem langer vast te houden. Wel zal nog verder onderzoek plaatsvinden.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters/ Rechtbanken

Aanklacht wegens diefstal 12 oktober 1857
Tijdens de rechtszitting van de Rechtbank te Breda vindt de behandeling plaats van de aanklacht wegens diefstal door Jacobus Teunisse. Hij wordt door Jacobus Lion beschuldigd van diefstal van zijn hond in de maand september 1857 en dat hij deze enige dagen later heeft verkocht aan de eveneens op de rechtszitting aanwezige Johannes Tangen. Het rechtsgeding levert geen bewijs op dat die honden hetzelfde waren, evenmin dat de verdachte Jacobus Teunisse de hond zou hebben ontvreemd. Jacobus wordt vrijgesproken van de klacht tegen hem. De proceskosten komen ten laste van de Staat.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Politievoorziening 24 december 1857
Wegens Politievoorziening is Jacobus op 24 december 1857 door de Commissaris van Politie te Breda gevangen gezet. Op 25 december 1857 is hij door de Commissaris van Politie te Breda ter beschikking gesteld van de Burgemeester van Steenbergen.
Bron: BHIC/ Criminele vonnissen


T-V-m1 Jacobus Teunisse, geboren 1 juli 1852

Jachtdelict
Op 19 april 1882 is Jacobus door het Kantongerecht te Bergen op Zoom veroordeeld tot 7 dagen subsidiaire gevangenisstraf wegens een jachtdelict. Hij heeft zijn straf uitgezeten van 22 tot 29 oktober 1882 in de strafgevangenis te Breda. Gedrag in de gevangenis was goed.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Uiterlijke kenmerken van Jacobus:
Aangezicht rond; voorhoofd smal; neus gewoon; mond gewoon; kleur gezond; ogen bruin; haar bruin; wenkbrauwen blond.



T-V-t Petrus Teunisse, geboren 24 april 1836

Overtreding voerwezen 1870
Door het Kantongerecht te Oudenbosch is Petrus op 19 april 1870 veroordeeld tot 1 dag gevangenisstraf wegens overtreding op het voerwezen. Hij heeft de straf ondergaan op 22/23 april 1870.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Uiterlijke kenmerken van Pieter: Lengte 173 cm; aangezicht rond; kleur gezond; voorhoofd hoog; neus gewoon; mond groot; kin rond; ogen bruin; wenkbrauwen zwart; haar zwart


T-VI-l Pieter Teunisse, geboren op 21 december 1855

Verbreking afsluiting 6 augustus 1882
Op 6 augustus 1882 ’s avonds brengt Pieter een bezoek aan de herberg van Petrus Voormeulen op de Welberg. Hij betaalt de rekening en behoort nog wat wisselgeld terug te krijgen. Voormeulen weigert dit, omdat Pieter hem nog een bedrag verschuldigd is voor eerdere verteringen. Pieter maakt daarna zo’n hevig rumoer dat hij door Voormeulen buiten wordt gezet. Vervolgens doet Voormeulen aangifte bij de marechaussee. Bij terugkomst thuis bemerkt hij dat er drie glasruiten in een buitenraam zijn ingeslagen en dat Pieter bij het raam staat.
Op de rechtszitting van 25 september 1882 verklaart de brigadier van de marechaussee dat Pieter slecht bekend staat, doch dat hij op de avond van 6 augustus 1882 niet beschonken was. De brigadier verklaart verder dat Pieter hem heeft verteld dat hij boos was geworden, omdat hij het wisselgeld niet terug heeft gekregen. Toen is hij boos geworden en heeft hij de ruitjes ingetikt.
De strafeis luidt 21 dagen gevangenisstraf.
Op 25 september 1882 is Pieter door de Arrondissementsrechtbank te Breda veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen (van 18 oktober tot 1 november 1882) wegens “verbreking van afsluiting”. Zijn gedrag in de gevangenis was goed.
Bron: BHIC/ Rechtbanken – Gevangenisregisters

Smokkelen 27 juli 1892
Op 27 juli 1892 rond 21:00 uur onder de gemeente Wouw probeert Pieter vanuit België 36 kg zout Nederland frauduleus in te voeren (smokkelen). Helaas voor hem, wordt hij betrapt. Op 30 juli 1892 wordt proces-verbaal opgemaakt.
Op de terechtzitting van 30 oktober 1892 in de Rechtbank van Breda, waarbij Pieter niet aanwezig is, wordt een straf van 15 dagen geëist.
Uiteindelijk komt hij er met een straf van 8 dagen vanaf (Strafzitting 10 november 1892, Rechtbank Breda). Pieter zit zijn straf uit van 14 maart tot 22 maart 1893.
In het gesticht heeft hij zich goed gedragen.
Bron: BHIC/ Rechtbanken; Toegangsnr. 23; Inventarisnr. 212; Rolnr. 543.

Uiterlijke kenmerken Pieter:
Lengte 172,5 cm; aangezicht rond; voorhoofd laag; mond gewoon; ogen bruin; haar bruin; kleur gezond; neus gewoon; kin rond; wenkbrauwen bruin.


T-VI-l1 Adriaan Teunisse, geboren 16 maart 1884

Overtreding jachtwet 8 juni 1905
Op 8 juni 1905 wordt Adriaan door het Kantongerecht te Zevenbergen veroordeeld tot 5 dagen hechtenis.  Dit omdat hij op een zondag in gesloten jachttijd heeft gejaagd op andermans grond, zonder een schriftelijk bewijs van de eigenaar.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Enkelvoudige belediging 19 juli 1913
Op 19 juli 1913 bevindt Adriaan zich op de Roosendaalseweg in Kruisland. Daar ontmoet hij de surveillerende gemeenteveldwachter Hubertus Klaassen. Zonder enige aanleiding krijgt de veldwachter van hem te horen “je bent een vuile flikker”. Vervolgens wordt proces-verbaal opgemaakt. Op de rechtszitting van 20 november 1913 luidt de strafeis vijftien gulden boete, bij gebreke van betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis. Op 4 december 1913 tijdens de tweede rechtszitting door de Arrondissementsrechtbank te Breda, waarbij Adriaan niet aanwezig hoefde te zijn, wordt Adriaan veroordeeld tot vijf gulden boete, bij gebreke van betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, wegens eenvoudige belediging. Het vonnis wordt hem op 23 december thuis, Overval C 19 in Steenbergen- Kruisland, uitgereikt. Hij heeft zijn straf uitgezeten in de strafgevangenis te Breda van 17 tot 22 december 1913. Zijn gedrag in het Gesticht was goed.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Smokkelen 4 februari 1918
Op 4 februari 1918 is Adriaan door de Arrondissementsrechtbank te Breda veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf vanaf 31 december 1917 wegens poging tot verboden uitvoer (smokkelen). Op 1 maart 1917 wordt hij in vrijheid gesteld. Zijn gedrag in het gedrag in het Gesticht was goed.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Zware mishandeling 1 januari 1920
Op 1 januari 1920 heeft Adriaan tijdens een ruzie in de schuur van Cornelis Teunisse, gelegen in de Visscherij (Visscherijtje) te Steenbergen, opzettelijk en gewelddadig Piet Schouteren met een mes gestoken, geslagen en gesneden. Deze heeft daarbij een diepe wond in de rechterborst opgelopen, waarbij de rechter long werd getroffen. Omtrent de reden van de ruzie en het gebeuren worden door Adriaan, Piet Schouteren, Dingena van der Zanden (huisvrouw van Cornelis Teunisse) en haar dochter Maria Teunisse afwijkende verklaringen afgelegd. Op 6 januari 1920 wordt Adriaan voorlopig gevangen gezet.Tijdens de rechtszitting op 16 maart 1920 geeft Adriaan toe dat hij Schouteren met een mes heeft gestoken. Tijdens deze zitting zit Adriaan er tamelijk wezenloos bij en van enig berouw geeft hij geen blijk. De strafeis luidt anderhalf jaar gevangenisstraf. Op 20 mei 1920 wordt Adriaan veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf, te rekenen vanaf 6 januari 1920. Op 20 juni 1920 dient Adriaan een verzoekschrift tot gratie in. Deze wordt niet gehonoreerd. 
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Plassen in het openbaar 10 februari 1920
Op 10 februari 1920 is Adriaan door het Kantongerecht te Bergen op Zoom veroordeeld tot twee dagen subsidiaire hechtenis wegens het te Roosendaal en Nispen buiten de openbare waterplaats datgene verrichten waartoe die inrichtingen bestemd zijn. Hij zit zijn straf uit van 6 -8 januari 1921. Op 8 januari 1921 wordt hij in vrijheid gesteld. Zijn gedrag in het Gesticht was goed.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Uiterlijke kenmerken Adriaan:
Lengte 173 cm; haar donker blond; wenkbrauwen donkerblond; voorhoofd hoog; ogen blauw; neus gewoon; mond gewoon; kin rond; aangezicht ovaal. Mist middelvinger linkerhand.


T-VI-l6 Cornelis Teunisse, geboren 15 mei 1891

Op 24 december 1912 fietst Cornelis, wonende Overval C 19 in Steenbergen, op de macadamweg van Steenbergen naar Dinteloord, als hij staande wordt gehouden door de marechaussee C. Weda. Cornelis kan hem de bij de fiets behorende rijkaart 1912/1913 niet overleggen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt. 
Tijdens de rechtszitting op 13 maart 1913, waarbij Cornelis niet aan hoefde te zijn, wordt hij veroordeeld tot één gulden boete. Het vonnis wordt op 21 april 1913 aan betrokkene bij hem thuis uitgereikt. Kosten hiervan 1 gulden en 48 cent.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


T-VI-m Kornelis Teunisse, geboren 31 januari 1859

Eenvoudige diefstal 30 juni 1884
Op 30 juni 1884 verschijnt Kornelis Teunisse, geboren 31-01-1859, voor de Arrondissementsrechtbank in Breda. Hem wordt de diefstal van een visnet, toebehorende aan vlasboer Marijn Geers, wonende op de Welberg ten laste gelegd. Uit het proces-verbaal blijkt dat Geers zijn visnet op 7 februari rond half vier ’s middags buiten te drogen heeft gehangen en twee uur later weer heeft binnengehaald. De volgende ochtend is het net uit zijn schuur verdwenen. Enkele maanden later ziet hij P. Adriaansen met zijn visnet lopen. Adriaansen vertelt hem dat hij omstreeks april het visnet voor 2 gulden gekocht heeft van de broer van Kornelis Teunisse. Adriaansen geeft het visnet aan Geers terug en gaat naar Teunisse om zijn geld terug te vragen. Deze is bereid 1,75 terug te betalen. Op de rechtszitting verklaart Kornelis het visnet langs de weg gevonden te hebben en het thuis, eerst tegen de muur in zijn huis en later in zijn keetje te hebben opgehangen. Verder verklaart hij dat zijn broer zo’n twee maanden later het visnet voor 2 gulden aan Adriaansen heeft verkocht. De opbrengst delen ze samen. Uit de getuigenverklaringen blijkt wel degelijk dat er sprake is van diefstal; de waarde bedraagt hooguit vier gulden.
Kornelis wordt schuldig bevonden aan eenvoudige diefstal.
Op 10 juli 1884 volgt het vonnis/uitspraak. Kornelis wordt veroordeeld tot één maand gevangenisstraf en tot betaling van de proces-kosten.
Bron: Brabants Historisch Centrum (BHIC)/ Rechtbanken
Arrondissementsrechtbank Breda; Toegangsnummer 23; Inventarisnummer 153; Rolnummer 360

Zoutfraude 1892
Op 23 juni 1892 wordt Kornelis door de Rechtbank te Breda veroordeeld tot 8 dagen gevangenisstraf wegens zoutfraude. Hij heeft zijn straf uitgezeten van 24 september tot 4 oktober 1892 in de gevangenis te Breda.
Zijn gedrag in de gevangenis was goed.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Uiterlijke kenmerken van Kornelis:
Lengte 170 cm; haar blond; wenkbrauwen blond; ogen blauw; neus gewoon; mond gewoon; aangezicht ovaal; kleur gezond.


T-VI-r Antonij Theunisse, geboren 3 maart 1858

Moedwillig verbreken afsluiting 1876
Op 1 augustus 1876 is Antonij door de Arrondissementsrechtbank in Breda veroordeeld tot 8 dagen gevangenisstraf wegens het moedwillig verbreken van een afsluiting. Hij heeft zijn straf uitgezeten van 19 tot 27 augustus 1876.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Uiterlijke kenmerken van Antonij:
Lengte 168 cm; kleur gezond; ogen bruin; haar blond; wenkbrauwen blond.

Belediging ambtenaar in functie 1890
Op 5 augustus 1890 wordt Antonij bestraft met een geldboete van acht gulden wegens belediging van een ambtenaar in functie. Verdere gegevens ontbreken.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Vermoedelijke overtreding 17 juli 1918
Op 17 juli 1918 krijgt de Politie te Roosendaal een tip binnen, dat Antonij Theunisse, wonende Vrouwenmadestraat 22 in Roosendaal, vermoedelijk ten uitvoer verboden goederen verborgen zou houden. De Politie gaat daarop een kijkje nemen en ontdekt  onder een afdak in de tuin van Antonij een zak, inhoudende 10 dozen chocolade met een gewicht van ca. 14 kilo. Er wordt proces-verbaal opgemaakt. Antonij verklaart dat hem niets bekend is van een zak, inhoudende 10 dozen chocolade, die bij hem in de tuin zijn aangetroffen. Mogelijk is een onbekende de tuin binnengekomen en heeft deze aldaar de goederen verborgen. Ik ben geen handelaar in chocolade. Ook Elizabeth de Bruijn, echtgenote van Antonij, kan niet verklaren hoe de zak in haar tuin is terechtgekomen. Voortdurend komen over de rijweg, die naast onze woning is gelegen smokkelaars op doortocht naar de grens. Daarbij komen ze ook vaak ongevraagd op ons erf.
Ook de inwonende dochter Maria Theunisse en de op dit adres verblijvende Elisabeth Doggen (dochter van Catharina Theunisse en Alphons Doggen) weten niets van de opgespoorde goederen. Alle vier doen ieder afzonderlijk dezelfde verklaring.
In de rechtszitting van 21 oktober 1918 luidt de strafeis: 10 gulden boete en inbeslagname van de gevonden goederen.
In de tweede rechtszitting op 4 november 1918 verklaart de rechter, dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen Antonij is ten laste gelegd en spreekt hem daarom vrij.
Over de in beslag genomen goederen wordt niets in de uitspraak vermeld.
Bron: BHIC/ Criminele vonnissen


T-VI-s Jan Teunisse, geboren 11 april 1861

Belediging ambtenaar in dienst in 1880
Op 24 juli 1880 is Jan door de Arrondissementsrechtbank te Breda veroordeeld tot 2 dagen subsidiaire gevangenisstraf wegens belediging van een bedienend beambte in functie. Hij heeft zijn straf uitgezeten van 24 tot 26 december 1880.

Dronkenschap in 1880
Op 24 augustus 1880 is Jan door het Kantongerecht te Bergen op Zoom veroordeeld tot 4 dagen subsidiaire hechtenis wegen dronkenschap te Steenbergen. Hij heeft gevangen gezeten van 29 april tot 3 mei 1881. 
Bron: BHIC/Gevangenisregisters

Uiterlijke kenmerken van Jan:
Lengte 170 cm; aangezicht ovaal; kleur gezond; voorhoofd gewoon; neus gewoon; mond gewoon; kin rond; ogen grijs; wenkbrauwen blond; haar blond.


T-VI-v Hendrik Theunisse, geboren op 7 oktober 1865

Dierenmishandeling
Op 5 september 1919 constateert B. Beurden, agent van Politie te Roosendaal, dat Hendrik een paard mishandelt. Het dier staat voor een voertuig gespannen en wordt door Hendrik enige malen tegen de buik geschopt, waarbij het paard steeds opspringt. Het proces-verbaal, dat door de dienstdoende agent is opgemaakt, vermeldt dat Hendrik verklaarde dat hij het paard opzettelijk pijn wilde doen, omdat het niet wilde trekken.
In de rechtszitting van 27 november 1919 wordt Hendrik schuldig verklaard en beboet met een bedrag van twintig gulden, bij gebreke van betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis.
Bron: BHIC/ Criminele vonnissen


T-VII-h Jan Teunisse, geboren op 26 november 1885

Overtreding weggeld 27 maart 1917
Op 27 maart 1917 om 14:00 uur fietst Jan op de provinciale weg van Steenbergen naar Dinteloord. Nabij perceel C 93 onder Dinteloord wordt hij staande gehouden door H.H. Harmsen, assistent der Belastingen in Steenbergen, vanwege een onduidelijk rijwielnummer.  Op diens verzoek kan Jan geen rijkaart overleggen, omdat hij nog geen aangifte heeft gedaan bij de Belastingdienst. Jan wordt veroordeeld tot een boete van vijf gulden, bij gebreke van betaling te vervangen door tien dagen hechtenis.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


T-VII-l Marijn Teunisse, geboren 19 september 1873

Mishandeling 30 oktober 1890
Op 30 oktober 1890 is Marijn door de Rechtbank te Breda veroordeeld tot 6 dagen subsidiaire hechtenis wegens mishandeling. Van 21 april 1891 tot 27 april 1891 heeft hij in de gevangenis te Breda gezeten. In deze tijd was zijn gedrag goed.

Mishandeling 2 april 1895
Op 2 april 1895 heeft Marijn Theunisse, Johannes van Beers opzettelijk met een geweerloop geslagen, mishandeld en verwond. Dit na een vraag van Van Beers aan Theunisse waarom hij zijn zoon steeds bedreigd.
Op de rechtszitting van 30 mei 1895 herhaalt Van Beers hetgeen in het proces-verbaal is opgenomen. De brigadier der marechaussee in Steenbergen verklaart, dat Marijn Theunisse niet zeer gunstig bekend staat. Marijn zelf ontkent het hem ten laste gelegde. Niet hij heeft Van Beers geslagen, maar Van Beers heeft hém geslagen.
Op 6 juni 1895 wordt Marijn door de Rechtbank te Breda veroordeeld tot 21 dagen gevangenisstraf wegens mishandeling.
Hij heeft In de gevangenis van Breda gezeten van 5 juli 1895 tot 26 juli 1895. Gedurende deze tijd was zijn gedrag goed.
Bron: BHIC/ Criminele vonnissen

Diefstal 20 november 1900
Op 20 november 1900 is Marijn door de Brigadier der Marechaussee in Steenbergen aangehouden en vastgezet wegens diefstal. Op 25 november 1900 geeft de Rechtbank in Breda bevel tot verlenging van gevangenhouding. Bij vonnis van de Rechtbank te Breda op 20 januari 1901 wordt Marijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar met aftrek van de preventieve hechtenis.Op 20 november 1902 wordt hij in vrijheid gesteld. Zijn gedrag in de gevangenis was goed.
(Blijkbaar had Marijn tijdens zijn detentie de nodige privileges. Want op 5 mei 1902 werd na 1½ jaar gevangenisstraf zijn dochter Wilhelmina geboren.)

Mishandeling 15 december 1915
Op 15 december 1915 ’s morgens rond zeven uur hebben Marijn Teunisse en zijn collega Antonij van Meel  Thoon de Jong in elkaar geslagen. Zij werkten op de hoeve van Veraart, met als zetboer Piet Laane, in de Westveerse polder in Dinteloord. Marijn en Antonij waren het er namelijk niet mee eens dat Thoon de Jong als hun opzichter zou fungeren, vooral ook omdat zij bij gerucht hadden vernomen dat deze hen zou willen ontslaan. Daarom smeden zij op 14 december het plan om Thoon de Jong een flink pak slaag te geven. De Jong is eerst door Marijn Teunisse met een onafgewerkte dorsvlegel (klepel) geslagen. Toen De Jong op de vloer lag werd hij door Van Meel ook nog eens geslagen, met als gevolg een bult en een bloedinkje op zijn achterhoofd. Op 4 maart 1915 is Marijn door de Arrondissementsrechtbank te Breda veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf wegens mishandeling gepleegd met voorbedachte rade. Hij heeft in de gevangenis te Breda gezeten van 7 april 1915 tot 6 juni 1915. Zijn gedrag in de gevangenis was goed.

Uiterlijke kenmerken van Marijn: Lengte 168 cm; haar zwart; wenkbrauwen zwart; voorhoofd hoog; ogen bruin; neus gewoon; mond gewoon; kin rond; aangezicht ovaal; kleur gezond.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


T-VII-m Kornelis Teunisse, geboren 23 maart 1879

Smokkelen
Op 4 februari 1918 is Kornelis door de Arrondissementsrechtbank te Breda veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, te rekenen vanaf 31 december 1917 wegens poging tot verboden uitvoer. Op 1 maart 1918 is hij in vrijheid gesteld. Zijn gedrag in de gevangenis was goed.

Diefstal
Omstreeks 8 mei 1920 steelt Kornelis een aantal palen uit de weide van weduwe Koolen. Hij vervoert ze per boot naar zijn woning, gelegen op het Visscherijtje C 17 te Steenbergen. De bedoeling is om deze palen als brandhout te gebruiken. Helaas voor hem blijft dat niet onopgemerkt. Er wordt proces-verbaal opgemaakt.
Op 4 november 1920 wordt Kornelis door de Arrondissementsrechtbank te Breda veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf wegens diefstal. Hij heeft zijn straf uitgezeten van 3 tot 17 december 1920.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Diefstal
Op 20 mei 1920 worden Dingena van der Zanden en haar dochter Maria Teunisse veroordeeld tot resp. twee weken gevangenisstraf en tien gulden boete, bij gebreke van betaling 10 dagen hechtenis.
Aanleiding voor deze veroordeling is het stelen van een hoeveelheid steenkolen uit een wagon op de losplaats van de Zuid-Nederlandse Stoomweg Maatschappij in Steenbergen, met de bedoeling deze als brandstof te gebruiken.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


T-VII-s  Catharina Theunisse, geboren 7 juni 1882

Wetsovertreding 4 juni 1919
Op 4 juni 1919 doet C. van Baal, agent van Politie te Roosendaal in burgerkleding controle op de uitvoering van de Distributiewet. Omdat hem bekend is dat in de winkel van Alphons Doggen aardappelen boven de maximumprijs worden verkocht, begeeft hij zich naar deze winkel in de H.G. Dirckxstraat in Roosendaal. Aldaar aangekomen ziet hij mevrouw Pauline Verkuijl uit de winkel komen. Bij de inspectie van haar tas blijkt daarin een hoeveelheid aardappelen te zitten. Pauline Verkuijl verklaart daarop 10 kg zandaardappelen te hebben gekocht tegen een prijs van 8 cent de kilo, zonder daarvoor aardappelbonnen te hebben ingeleverd. Zij zegt niet te weten dat de maximumprijs 51/2 cent voor een kilo zandaardappelen is. Catharina verklaart desgevraagd tegenover de politieagent, dat zij dacht dat de bedoelde aardappelen geen regeringsaardappelen waren en dat ze daarom tegen een hogere prijs en zonder bonnen verkocht mochten worden. Op 6 juni 1919 wordt proces-verbaal opgemaakt.
Tijdens de terechtzitting op 29 september om 09:30 uur voor de Rechtbank van Breda luidt de strafeis 10 gulden boete. Catharina wordt verweten dat zij de aardappelen boven de maximumprijs van 51/2 cent de kilo heeft verkocht. Deze maximumprijs is in de Nederlandsche Staatscourant van 23 januari 1919 bekend gemaakt. Catharina had dit dus moeten en kunnen weten.
In de terechtzitting van 13 oktober 1919 wordt haar een boete opgelegd van vijf gulden, omdat zij de aardappelen boven de maximum geldende verkoopprijs heeft verkocht.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Vernieling 29 januari 1925
Op 20 december 1924 vertrekt Jacobus Vermeulen uit het huis, dat hij tot dan huurde van Catharina Doggen- Theunisse. Begin januari 1925 blijkt dat hij nog geld verschuldigd is voor verbruikt gas. Catharina deelt dit aan mevrouw Vermeulen mee. Deze verzuimt echter haar man hiervan in kennis te stellen. Omdat Catharina niets meer van het echtpaar verneemt, begeeft zij zich op 29 januari 1925 naar het nieuwe huurhuis van Jacobus Vermeulen in Roosendaal. Daar ontstaat een woordenwisseling, waarbij ook een glasruitje in de voordeur het moet ontgelden. Vermeulen en zijn vrouw stellen Catharina daarvoor aansprakelijk en laten proces-verbaal opmaken.
Op de rechtszitting van 29 maart 1925 ontkent Catharina het haar ten laste gelegde en meldt dat niet zij, maar Vermeulen het ruitje heeft beschadigd. Blijkbaar weet zij de rechter niet te overtuigen, want er wordt haar een boete van twintig gulden opgelegd,
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Mishandeling 24 mei 1926
Op 13 september 1926 vindt er een rechtszitting en mondeling vonnis plaats tegen verdachte Catharina Theunisse. Johanna van den Bempt- Heijnen vertelt dat zij op 24 mei 1926 om 21:00 uur door de winkel van Catharina in de H.G. Dirckxstraat te Roosendaal – boven welke zij toen woonde – naar buiten wilde gaan. Daarbij werd zij vastgegrepen door Catharina Theunisse, die haar vervolgens tot bloedens toe sloeg en haar blouse en borstrok stuk trok. Catharina erkent dat zij heeft geslagen, doch dat zij de blouse niet heeft stuk getrokken. Verder geeft zij aan dat Johanna haar ook sloeg.
Getuige van het voorval is Adrianus van Oorschot, die omstreeks 21:00 uur door de straat liep, toen hij gegil hoorde. Hij zag dat Catharina in de winkel opzettelijk en met kracht Johanna Heijnen sloeg waar zij haar maar raken kon. Catharina verklaart daarop, dat Van Oorschot dat niet gezien kan hebben, omdat zij achter in de winkel heeft geslagen. Een tweede getuige, Jacoba Freijters, telefoniste te Roosendaal, heeft dit alles ook gezien. Zij zag verder dat Johanna steeds door Catharina werd belet om naar buiten te gaan en dat haar blouse werd stuk getrokken. Catharina heeft niets tegen deze verklaring in te brengen.
Er wordt mondeling vonnis uitgesproken, luidende: een geldboete van 25 gulden voor de bewezen mishandeling, omdat Catharina, die als lastig bekend staat, met een strenge geldboete gestraft moet worden. Voor de schade aan de kleding bestaat geen bewijs dat dit door Catharina is veroorzaakt. Daarvoor wordt zij vrijgesproken.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


T-VII-ag Johannes Theunisse, geboren 11 juli 1903

Diefstal juni 1925
Op één of meerdere dagen in juni 1925 te Roosendaal heeft Johannes zich opzettelijk wederrechtelijk 33 gulden en 60 zestig cent, toebehorende aan Franciscus Rombouts, toegeëigend. In het voorjaar van 1925 heeft Johannes voor verschillende verenigingen drukwerk bij Rombouts besteld, tot een totaalbedrag van 42 gulden. Met Rombouts was hij overeengekomen om deze gelden bij de verenigingen te innen, waarbij hij 20% voor zichzelf mocht houden. Het restant van 33 gulden 60 cent heeft hij niet afgedragen.
Op 26 november 1925 wordt hij door de arrondissementsrechtbank in Breda veroordeeld tot één maand gevangenisstraf.
Bron: BHIC/ Criminele vonnissen

Arrestatie 14 januari 1926
Op 14 januari 1926 is Johannes door de Officier van Justitie van de arrondissementsrechtbank te Breda aangehouden en vastgezet. Als reden wordt vermeld: passant. Op 18 januari 1926 requireert de Officier van Justitie te Breda de onmiddellijke invrijheidstelling.
Uiterlijke kenmerk van Johannes: Lengte 185 cm, haar en wenkbrauwen donkerblond, ogen donkergrijs, neus en mond gewoon, kin rond, aangezicht ovaal.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters


T-VIII-h Johannis Adrianus Teunisse, geboren 21 november 1908

Overtreding weggeld in 1926
In 1926 heeft opper-wachtmeester der Marechaussee in Steenbergen proces-verbaal opgemaakt tegen Jan wegens overtreding van het weggeld. Jan fietste op de provinciale weg, hoewel hij niet in bezit was van de daartoe benodigde rijwielkaart. Op 29 november 1926 is hij door de Arrondissement Rechtbank veroordeeld tot een boete van vijf gulden.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Rechtszaak in 1927
In 1927 heeft marechaussee J.J. Deurlo, onbezoldigd Rijksveldwachter te Steenbergen proces verbaal opgemaakt tegen Jan, omdat deze zich tijdens het uitvoeren van zijn beroep met de hondenkar op de provinciale weg begaf (overtreding van het weggeld).
Op 4 april 1927 is Jan van dit “delict” vrijgesproken.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


T-VIII-i Petrus Jacobus Teunisse, geboren 11 oktober 1909

Overtreding tegen het weggeld 1929
Op 25 februari 1929 wordt Pierre door de Politierechter van de Arrondissements-Rechtbank te Breda bij verstek veroordeeld tot een boete van zes gulden, subsidiair zes dagen hechtenis wegens het niet kunnen tonen van een rijwielkaart tijdens het fietsen op de provinciale weg.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-VI-l14 Paulus van der Wegen, geboren 19 januari 1824

Overtreding jachtwet 11 november 1884
Op 11 november 1884 te Kruisland overtreedt Paulus de jachtwet. Hij wordt betrapt door de veldwachters Van Dijk en Van Wijk. Bij die gelegenheid trapt Paulus veldwachter Van Dijk moedwillig tegen de borst en mishandelt hem. Van het voorval wordt dezelfde dag proces verbaal opgemaakt. Op 8 januari 1885 vindt de eerste rechtszitting plaats. Paulus, die ook aanwezig is, ontkent het hem ten laste gelegde. De rechtbank acht het gebeuren echter voldoende bewezen, verklaart Paulus schuldig en stelt als strafeis: 15 dagen hechtenis wegens gewelddadigheden tegen een agent van de gewapende macht. Op 22 januari volgt het vonnis.  Paulus wordt, gelet op verzachtende omstandigheden, gestraft met 8 dagen hechtenis en betaling van de proceskosten. Wat de verzachtende omstandigheden zijn, wordt niet vermeld. Op 23 januari 1885 wordt hij gevangen gezet en op 30 januari 1885 ontslagen. In de gevangenis heeft Paulus zich goed gedragen.

Uiterlijke kenmerken van Paulus: aangezicht ovaal; voorhoofd smal; neus spits; mond groot; kin spits; ogen grijs; wenkbrauwen grijs; haar grijs; baard grijs; lengte 169 cm.
Bron: BHIC/ Strafregisters. Arrondissementsrechtbank Breda; Toegangsnummer: 23; Inventarisnummer: 156; Rolnummer: 47 Pagina’s 233/237)

N.B. Er zitten nogal wat verschillen tussen het strafregister en het gevangenisregister. De ouderdom van Paulus is niet in overeenstemming. De datums van de procesgangen stemmen niet geheel overeen. In het gevangenisregister wordt Paulus abusievelijk aangeduid als Leonardus, zoon van Petrus van der Wegen en Elisabeth van Ispen. Dit echtpaar heeft echter geen zoon Leonardus, die in 1824 is geboren. In het strafregister wordt vermeld: Leonardus van der Wegen, eigenlijk genaamd Paulus van der Weegen.


W-VII-z Adrianus (Adriaan) van der Wegen, geboren 17 september 1806

Diefstal 29 januari 1852
In de namiddag van 29 januari 1852 zijn Adriaan en zijn zoon Rochus in een perceel bos, gelegen in het Oudeland onder Steenbergen, als zij door de veldwachters van Steenbergen worden betrapt op het stelen van bezemrijs. Er wordt proces-verbaal opgemaakt.  Op 15 maart 1852 vindt de eerste zitting voor de arrondissementsrechtbank van Breda plaats. Beiden worden schuldig verklaard aan eenvoudige diefstal onder verzachtende omstandigheden. De strafeis luidt: Een gevangenisstraf van één maand, daarbij een geldboete van 8 gulden voor de staat en daarenboven de kosten van het proces. Op 22 maart 1852 volgt de uitspraak. Gelet op de armoedige toestand van beiden en het feit dat het veroorzaakte nadeel nog geen 12,50 gulden bedraagt, worden Adriaan en zijn zoon veroordeeld tot tien dagen hechtenis en betaling van de proceskosten groot 6 gulden en 9½ cent. Het verblijf in de gevangenis van Breda heeft geduurd van 1 mei 1852 tot 11 mei 1852.
Bron: BHIC/ Criminele vonnissen


W-VIII-c Petrus van der Wegen, geboren 10 september 1850

Overtredingen
Wegens het maken van geraas en wateren op straat te Bergen op Zoom is Petrus op 4 augustus 1876 door het Kantongerecht te Bergen op Zoom veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 dagen. Op 26 januari 1877 is hij gevangen gezet en op 30 januari 1877 krachtens het vonnis ontslagen. In de gevangenis heeft hij zich goed gedragen.

Uiterlijke kenmerken van Petrus: Aangezicht ovaal; kleur gezond; voorhoofd gewoon; neus spits; mond gewoon; kin rond; ogen blauw; wenkbrauwen blond; haar blond; lengte 157 cm.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Dierenmishandeling 30 oktober 1888
Door twee getuigen wordt geconstateerd, dat Petrus op 30 oktober 1888 te Bergen op Zoom zonder enige noodzaak in het openbaar hevige slagen toebrengt aan een hem toebehorende os. Petrus wil dat de voor een kar gespannen os, de kar achteruit de deur van een schuur induwt. Dat lukt het dier niet, omdat een steunijzer dat belet. Vervolgens wordt het dier herhaalde malen met een eikenhouten stok op de kop en het lichaam geslagen en wel zodanig dat de splinters van de stok springen.
De getuigen doen aangifte, waarna proces-verbaal wordt opgemaakt.
Tijdens de eerste rechtszitting op 22 november 1888 bij de arrondissementsrechtbank te Breda, wordt Petrus vermelde mishandeling ten laste gelegd. Petrus bekent de mishandeling, echter niet de wrede wijze waarop dit gebeurd zou zijn. Als excuus voert hij aan, dat hij driftig was geworden. De strafeis luidt: acht gulden boete.
De tweede rechtszitting vindt plaats op 29 november 1888. Petrus wordt veroordeeld tot drie gulden boete en betaling van de proceskosten.
Bron: BHIC/ Criminele vonnissen


W-VIII-d Leonardus van der Wegen, geboren 5 februari 1856

Tweewieler voertuig te zwaar beladen
Leonardus is op 24 november 1896 door het Kantongerecht te Bergen op Zoom veroordeeld tot 3 dagen hechtenis omdat hij te Bergen op Zoom bij het rijden met een tweewieler voertuig, beladen met goederen, geladen en gelost in de kom der gemeente, een zwaarder gewicht dan 2000 kg heeft vervoerd. Op 23 januari 1897 is hij in hechtenis genomen en op 26 januari 1897 in vrijheid gesteld.
Zijn gedrag in het gesticht was goed.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters


W-VIII-i Jan van der Weegen, geboren 6 juni 1866

Mishandeling
Op 25 september 1887 in Steenbergen heeft Jan van der Weegen, ook wel genaamd Jan Dankers, Johannes Roeijers opzettelijk geslagen en mishandeld.
Tijdens de eerste rechtszitting bij de arrondissementsrechtbank te Breda op 20 oktober 1887 wordt 8 gulden boete geëist, bij niet-betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis.
Op de tweede rechtszitting op 27 oktober 1887 wordt Jan opzettelijke mishandeling ten laste gelegd. De boete bedraagt drie gulden; bij niet-betaling 2 dagen hechtenis.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-VIII-j Willem van der Weegen, geboren 2 oktober 1868

Belediging / hoon 8 juli 1915
In de nacht van 8 op 9 juli 1915 loopt Willem van der Weegen op de openbare weg in de kom van de gemeente Steenbergen. Aldaar komt hij de surveillerende en dienstdoende in uniform geklede veldwachter van de gemeente Steenbergen en tevens onbezoldigd rijkswachter Adrianus Musters tegen. Adrianus Musters wordt door Willem uitgemaakt voor “lelijke grote aap, hongerlijder, kloert en grote aap”. Van dit strafbare feit wordt Proces-Verbaal opgemaakt.
Op de rechtszitting van 21 oktober 1915 is Willem van der Weegen niet aanwezig. De strafeis luidt 10 gulden boete. Uiteindelijk komt hij er met een boete van 6 gulden van af.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-VIII-k Theodorus van der Weegen, geboren 18 september 1875

Mishandeling
Op 11 augustus 1901 vindt er in het koffiehuis van Schouters te Steenbergen een vechtpartij plaats. Daarvan wordt aangifte gedaan. Volgens verklaring van het slachtoffer Adrianus Cornelis Stoffelen is hij door Theodorus van der Weegen opzettelijk in de keel geknepen, geslagen en tegen de muur geduwd. Verder is hij door Adriaan van Dijk in de neus geknepen en met een stoel geslagen en is er door laatstgenoemde een stoel naar hem gegooid. Getuige van het gebeuren is Christiaan Hartogh, die overigens aangeeft dat hij niet heeft gezien dat Van der Weegen en Van Dijk hebben geslagen, noch dat Van Dijk hem in de neus heeft geknepen.
In de rechtszitting op 10 oktober 1901 bij de Arrondissementsrechtbank te Breda, wordt bewezen geacht dat Theodorus het slachtoffer moedwillig bij de keel heeft gegrepen en tegen de muur heeft geduwd. Verder wordt voldoende bewezen geacht dat Van Dijk met een stoel heeft gegooid. Van der Weegen en Van Dijk worden alleen deze feiten ten laste gelegd. Van de overige worden zij vrijgesproken. Uitspraak: tien gulden boete voor ieder.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-VIII-s Adriana van der Wegen, geboren 21 mei 1852

Overtreding visserijwet
Op 12 juni 1888 is Adriana van der Wegen door het Kantongerecht te Bergen op Zoom veroordeeld tot 7 dagen hechtenis wegens overtreding Visscherij. Op 5 november 1888 (vijf maanden zwanger) gevangen gezet en op 12 november 1888 in vrijheid gesteld. In het gesticht heeft zij zich goed gedragen.

Uiterlijke kenmerken van Adriana: lengte 163 cm; haar blond; wenkbrauwen blond; voorhoofd gewoon; ogen grijs; neus klein; mond gewoon; kin rond; aangezicht rond; kleur gezond.
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters


W-VIII-ac Adrianus (Janus) van der Wegen, geboren 13 juli 1890

Overtreding weggeld
Op 16 april 1925 is Janus door de Politierechter te Breda bij verstek veroordeeld tot een boete van 5 gulden vanwege overtreding van het weggeld. Adrianus heeft met zijn rijwiel gebruik gemaakt van de openbare weg zonder daarvoor een beschrijvingsbiljet te hebben ingeleverd. 
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-VIII-ag Cornelis Johannes (Jan) van der Wegen, geboren 15 mei 1899

Onttrekken van goederen aan failliete boedel
Cornelis is op 20 september 1927 bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda failliet verklaard. Hem wordt later verweten dat hij in september 1927 bij de inventarisatie van zijn boedel opzettelijk een bedrag van 600 gulden niet heeft verantwoord bij de curator en met dit geld naar België is vertrokken. Tijdens de rechtszitting op 26 mei 1930 verklaart de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen verdachte wordt ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-VIII-al Rochus van der Wegen, geboren 5 oktober 1831

Diefstal
In de namiddag van 29 januari 1852 zijn Rochus en zijn vader Adriaan in een perceel bos, gelegen in het Oudeland onder Steenbergen, als zij door de veldwachters van Steenbergen worden betrapt op het stelen van bezemrijs. Er wordt proces-verbaal opgemaakt.  Op 15 maart 1852 vindt de eerste zitting voor de arrondissementsrechtbank van Breda plaats. Beiden worden schuldig verklaard aan eenvoudige diefstal onder verzachtende omstandigheden. De strafeis luidt: Een gevangenisstraf van één maand, daarbij een geldboete van 8 gulden voor de staat en daarenboven de kosten van het proces. Op 22 maart 1852 volgt de uitspraak. Gelet op de armoedige toestand van beiden en het feit dat het veroorzaakte nadeel nog geen 12,50 gulden bedraagt, worden Rochus en zijn vader veroordeeld tot tien dagen hechtenis en betaling van de proceskosten groot 6 gulden en 9½ cent. Het verblijf in de gevangenis van Breda heeft geduurd van 1 mei 1852 tot 11 mei 1852.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Verzet tegen overheidsgezag
Op 19 september 1886 wordt Dijmphna van Oorschot weduwe van J. Jacobs door de veldwachters Melis en Jansen van de gemeente Steenbergen gearresteerd, omdat zij notaris Loven op straat achtervolgt, waarmee zij in strijd handelt met de Steenbergse verordening. Ver komen de veldwachters niet, want zoon Frans weet zijn moeder uit de handen van de veldwachters te rukken. Dan bemoeit een dertiental personen zich met de voorgenomen arrestatie, waaronder Rochus van der Wegen en zijn zoon Jan Frans. Zij vormen een kring rond Dijmphna, zodat de veldwachters onverrichte zaken vertrekken. Er wordt wel proces-verbaal opgemaakt.
Op 2 december 1886 is de eerste rechtszitting bij de arrondissementsrechtbank in Breda: de strafeis tegen allen luidt drie dagen gevangenisstraf wegens verzet tegen overheidsdienaren.
Op 9 december 1886 volgt de tweede rechtszitting. Tien van de dertien opgeroepen personen, waaronder Rochus en zijn zoon Jan Frans worden schuldig bevonden aan verzet tegen de twee overheidspersonen, tijdens hun dienstuitvoering. Ieder krijgt een geldboete van 15 gulden opgelegd; bij niet-betaling volgt een gevangenisstraf van 10 dagen.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-VIII-an Petronilla van der Weegen, geboren 10 augustus 1838

Diefstal/ medeplichtigheid
Op 9 september 1854 worden Petronilla van der Weegen (16 jaar) en haar vriendinnen Catharina van Drunen (17 jaar), Adriana van Drunen (15 jaar), Petronella van Maastricht (14 jaar) en Catharina de Bruin (12 jaar) betrapt op het stelen van aardappelen van het land van landbouwer Adriaan Baten in Steenbergen. Op 10 september 1854 wordt door de marechaussee te Steenbergen proces-verbaal opgemaakt.
Op maandag 13 november vindt de eerste rechtszitting plaats. Petronilla is dan niet aanwezig. Catharina en Adriana van Drunen wel en zij leggen een verklaring af en bevestigen het uitdoen en de ontvreemding van de aardappelen. Op 20 november volgt het vonnis. Alle vijf de dames wordt eenvoudige diefstal, het uitdoen en ontvreemden van enige aardappelen, ten laste gelegd. Het strafbare feit wordt verkleind door de geringe waarde van het ontvreemde en de armoedige omstandigheden waarin beklaagden zich bevinden. Petronilla van der Weegen en Catharina krijgen ieder 14 dagen hechtenis en Petronella van Maastricht, Adriana en Catharina mogen 7 dagen de cel in. Bovendien dienen ze samen de proces kosten van 11,25½ gulden te voldoen. Omdat Petronilla wederom niet aanwezig is wordt de gerechtelijke uitspraak 29 november bij haar thuis bezorgd. Broer Kornelis neemt de kennisgeving in ontvangst.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-VIII-ao Magchiel van der Weegen, geboren 19 januari 1842

Vechtpartij 15 november 1871
Op 15 november 1871 ontstond er een woordenwisseling tussen Magchiel en Johannes Vissers. Magchiel beweerde dat Johannes nog enige centen verschuldigd was aan zijn vrouw Carolina de Bruijn. Na een woordenwisseling heeft Magchiel aan Johannes moedwillig een paar slagen met de hand toegebracht. Op 16 november 1871 is dit in een proces-verbaal vastgelegd. Op 22 januari 1872 is door de Arrondissement rechtbank in Breda  Machiel schuldig verklaard aan moedwillige mishandeling, waaruit geen ziekte of onbekwaamheid tot persoonlijke arbeid is ontstaan. Er is wel sprake van verzachtende omstandigheden. Magchiel krijgt een boete opgelegd van 3 gulden, binnen twee maanden na aanmaning te betalen. Verder komen de proceskosten, zijnde 12,91 gulden voor zijn rekening. Blijft hij gebreke dan volgt een gevangenis straf.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Blijkbaar was Magchiel niet in staat of niet bereid de kosten te voldoen, waarna hij 1 dag gevangenisstraf subsidiair heeft gekregen, die hij op 29 mei 1872 moest ondergaan. Op 30 mei 1872 is Machiel na het uitzitten van zijn straf uit de gevangenis ontslagen. Hij heeft zich daar goed gedragen.
Uiterlijke kenmerken Machiel:
Aangezicht ovaal; Kleur gezond; Voorhoofd hoog; Neus groot; Mond klein; Kin rond; Ogen bruin; Wenkbrauwen bruin; Haar bruin; Baard bruin; Lengte 165 cm.
Bron: BHIC/Gevangenisregister


W-IX-i Petrus Cornelis van der Weegen, geboren 3 juni 1896

Diefstal
In de jaren 1911 en 1912 is Petrus als leerling goudsmid werkzaam bij de heer Soesma te Bergen op Zoom, fabrikant van goud en zilverwerk. In de maand december 1911 ontvreemdt hij aldaar onder meer: een zilveren hoedenspeldknop, een zilveren dasspeldknop en 15 geschuurde zilveren oogjes. Eind 1912 wordt de vermissing geconstateerd. Tijdens een onderzoek worden de zilverwerken bij Petrus aangetroffen. Tijdens de eerste rechtszitting op 2 januari 1913 bekent Petrus de diefstal. De strafeis luidt: 3 maanden tuchtschool.
De tweede rechtszitting vindt plaats op 16 januari 1913. Petrus wordt, omdat hij op het moment van de diefstal nog geen 16 jaar is, veroordeeld tot tien gulden boete en teruggave van alle gestolen goederen.
Bron: BHIC/ Rechtbanken. Arrondissementsrechtbank Breda; toegangsnummer 23; inventarisnummer 417; rolnummer 21


W-IX-o Susanna van der Weegen, geboren 15 januari 1902

Openbare schennis der eerbaarheid of zedelijkheid/ overspel.
Op 16 juli 1919 ’s avonds om 10.00 uur worden Susanna en Hendrikus door P.F. de Clerck, Gemeente en onbezoldigd Rijksveldwachter te Bergen op Zoom, betrapt terwijl zij “vleeschelijke gemeenschap” hebben. De Clerck schrijft in zijn Proces-Verbaal:
“Op 16 juli 1919 constateerde ik dat Hendrikus Jacobus Taheij en Susanna van der Weegen bij elkander lagen op een afstand van circa 5 á 6 meter van de openbare weg onder de gemeente Bergen op Zoom, tussen de Balschebaan en de Huijbergschebaan op een perceel bosgrond. Toen ik nog op een afstand van circa 15 á 20 meter van hen verwijderd was, zag ik dat S. haar rokken omhoog geslagen om haar lijf had zitten en dat haar broek los was, zodat ik S. met haar vrouwelijkheid geheel ontbloot zag liggen. Verder zag ik H. met zijn aangezicht op de ontblote buik van S. liggen en dat hij nu eens haar buik zoende en dan weer haar ontblote vrouwelijkheid. Een ogenblik later zag ik dat S. op- en neergaande bewegingen maakte, gelijk een vrouw en man die “vleeschelijke gemeenschap” met elkander hebben, maar met dat verschil dat hier de vrouwspersoon de bewegingen maakte, doordat zij bovenop lag. Toen ik bij hen kwam liet S. zich van H. vallen en zag ik dat H. met zijn mannelijkheid ontbloot lag. Desgevraagd verklaarden zowel S. als H., ieder afzonderlijk, gemeenschap met elkaar te hebben gehad. Zij wisten dat zoiets op korte afstand van de openbare weg verboden is, omdat iedere voorbijganger hen zou kunnen zien liggen. Daarop heb ik hen beiden aangehouden en overgebracht naar het Commissariaat van Politie alhier”.

Aldaar zijn zij door Pieter van Dam, commissaris van de Gemeente Politie te Bergen op Zoom verhoord. S. en H. herhalen hun verklaring en vertellen wat er zich op de bewuste avond heeft afgespeeld. 
De strafeis luidt: voor beiden een gevangenisstraf van één maand en drie maanden voorwaardelijk. Uiteindelijk wordt H. veroordeeld tot een geldboete van 25 gulden en S., omdat zij nog minderjarig is, veroordeeld tot 10 gulden boete.
Bron: BHIC/Rechtbanken: Arrondissementsrechtbank te Breda; Jaar 1919; Toegangsnummer: 23; Inventarisnummer: 645; Rolnummer: 2658


W-IX-r Wilhelmus (Willem) van der Weegen, geboren 26 februari 1902

Rechtszaak op 26 juli 1926
Op 27 juli 1926 verklaart Wilhelmus van der Weegen (geboren op 26-02-1907) dat hij in het jaar 1926 op verschillende tijdstippen, de getuige Wilhelmina Verhoeven, waarvan hij wist dat ze minderjarig was, heeft meegenomen in een bosje terzijde van een zandweg in Halsteren en telkens de blote vrouwelijkheid van het meisje heeft betast en dat hij zulks deed om aan zijn lusten te voldoen.
Wilhelmina Verhoeven, oud 6 jaren, verklaart dat enige tijd geleden de haar bekende verdachte in een bosje in Halsteren met zijn hand aan haar “gatje” is geweest.
Verdachte heeft niets tegen deze verklaring ingebracht.
Wilhelmus wordt veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. En onder de voorwaarde dat hij zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Afdeling Bergen op Zoom van de RK reclasseringsraad.
Bron: BHIC/ Rechtbanken. Arrondissementsrechtbank Breda. Toegangsnummer: 23; Inventarisnummer: 700; Rolnummer: 1025 


W-IX-af Martinus (Martien) van der Weegen, geboren 9 september 1898

Verduistering
In 1921 is Martinus werkzaam bij de Centrale Maatschappij, Suikerfabriek Van Loon & co. te Steenbergen. Aldaar is hij belast met het vullen van zakken pulp en het transport daarvan. Op verscheidene dagen in de maanden oktober en november 1921 eigent hij zich wederrechtelijk 13 linnen zakken toe. Dit feit komt voor de rechtbank. De strafeis luidt één maand gevangenisstraf. Uiteindelijk wordt hem een boete van 30 gulden opgelegd.
Bron: BHIC/ Rechtbanken. Arrondissementsrechtbank te Breda; Jaar: 1921; Toegangsnummer: 23; Inventarisnummer: 664; Rolnummer: 39

Blijkbaar had Martinus geen goede advocaat, want anders zou hem opgevallen zijn dat in de processtukken 09-09-1890 als geboortedatum van Martinus wordt vermeld.


W-IX-bb Petrus van der Wegen, geboren 13 september 1885

Mishandeling 21 augustus 1905
Op 21 augustus 1905 wordt in De Heen Johannes van de Moer door Petrus van der Wegen op het hoofd geslagen. Jacobus van Tiggelen is hiervan getuige. Van de mishandeling wordt aangifte gedaan en proces-verbaal opgemaakt. Op de eerste rechtszitting bij de arrondissementsrechtbank te Breda op 5 oktober 1905 wordt Petrus de mishandeling ten laste gelegd. Petrus ontkent de mishandeling, doch de strafofficier acht de mishandeling voldoende bewezen en eist 14 dagen gevangenisstraf
Op 12 oktober 1905 volgt de uitspraak en komt Petrus er met een boete van tien gulden vanaf.
Bron: BHIC/ Rechtbanken. Arrondissementsrechtbank Breda; Toegangsnummer 23; Inventarisnummer 324; Rolnummer 658

Overtreding weggeld 24 maart 1913
Op 24 maart 1913 wordt Petrus al fietsend op de Provincialeweg 28 onder Steenbergen staande gehouden door de rijksveldwachter van Kruisland, de heer R. van der Ley. Petrus wordt aangesproken omdat hij gebruik maakt van een rijwiel, zonder dat daarvoor vooraf een naar waarheid ingevuld beschrijvingsformulier is ingeleverd.
Hij overtreedt daarmee de wet omtrent het weggeld.
Op de rechtszitting van 17 april 1913 door de Rechtbank te Breda, waarbij Petrus afwezig is, wordt hij veroordeeld tot een geldboete van 5 gulden, bij niet betaling te vervangen door een hechtenis van 5 dagen.
Op de rechtszitting van 29 april 1913 wordt de boete gehandhaafd. Op 21 mei 1913 wordt door de deurwaarder van het Kantongerecht Bergen op Zoom de veroordeling op zijn woonadres D 268 in Nieuw-Vossemeer overhandigd. Kosten 1 gld 38.
Bron: BHIC/ Rechtbanken.


W-IX-dr Jan Frans van der Wegen, geboren 7 januari 1871

Verzet tegen overheidsgezag 19 september 1886
Op 19 september 1886 wordt Dijmphna van Oorschot weduwe van J. Jacobs door de veldwachters Melis en Jansen van de gemeente Steenbergen gearresteerd, omdat zij notaris Loven op straat achtervolgt, waarmee zij in strijd handelt met de Steenbergse verordening. Ver komen de veldwachters niet, want zoon Frans weet zijn moeder uit de handen van de veldwachters te rukken. Dan bemoeit een dertiental personen zich met de voorgenomen arrestatie, waaronder Rochus van der Wegen en zijn zoon Jan Frans. Zij vormen een kring rond Dijmphna, zodat de veldwachters onverrichte zaken vertrekken. Er wordt wel proces-verbaal opgemaakt.
Op 2 december 1886 is de eerste rechtszitting bij de arrondissementsrechtbank in Breda: de strafeis tegen allen luidt drie dagen gevangenisstraf wegens verzet tegen overheidsdienaren.
Op 9 december 1886 volgt de tweede rechtszitting. Tien van de dertien opgeroepen personen, waaronder Rochus en zijn zoon Jan Frans worden schuldig bevonden aan verzet tegen de twee overheidspersonen, tijdens hun dienstuitvoering. Ieder krijgt een geldboete van 15 gulden opgelegd; bij niet-betaling volgt een gevangenisstraf van 10 dagen.
Bron: BHIC/ Rechtbanken. Arrondissementsrechtbank Breda; Toegangsnummer 23; Inventarisnummer 167; Rolnummers: 848 en 849


W-IX-eb Jan van der Weegen, geboren 14 december 1877

Vechtpartij 11 april 1897
Op 11 april 1897 ontstaat er in de herberg van Hendrikus Ligtenberg in Steenbergen een vechtpartij. Aan de bar zitten Cornelis Theunisse, Johannes van de Ouderaa en Cornelis van Hooijdonk. Rond acht uur ’s avonds komen Jan van der Weegen, Stephan van den Branden en Willem van den Branden binnen. Zonder enige aanleiding op dat moment slaan de laatstgenoemden erop los en achtervolgen de bezoekers tot op de WC. Jan van der Weegen slaat Van Hooijdonk met een stok op het hoofd. Ook Stephan en Willem van den Branden kunnen hun handen niet thuis houden. Marechaussee Remko Suverbaard, die op surveillance is, gaat op het rumoer in de herberg af en zet enige personen, waaronder J. van der Weegen, buiten. Van der Weegen accepteert dit niet en valt de marechaussee van achteren met een mes aan. Dit tot bloedens toe.  
Op 26 mei 1897 volgt een rechtszitting door  de Arrondissementsrechtbank te Breda. Jan van der Weegen ontkent de marechaussee te hebben verwond; Herbergier bevestigt hetgeen in het proces verbaal  van de marechaussee is opgenomen. Jan van der Weegen wordt schuldig bevonden aan het hem ten laste gelegde en wordt veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf wegens twee mishandelingen, waarvan één gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn functie.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Jan heeft zijn straf uitgezeten van 11 juni 1897 tot 8 december 1897 in de strafgevangenis te Goes (cel 43).
Bron: BHIC/ Strafgevangenis Goes.

Overtreding jachtwet
Jan is op 7 maart 1905 door het Kantongerecht te Bergen op Zoom veroordeeld tot 5 x 3 dagen subsidiair hechtenis wegens:
1. In gesloten jachttijd niet voorzien van een schriftelijk bewijs van vergunning van den eigenaar of rechthebbende eens anders grond bejagen, drie malen gepleegd.
2. het niet uitleveren van het niet in beslag genomen geweer.
Op 20 augustus 1905 gevangen gezet en op 4 september 1905 in vrijheid gesteld. In de gevangenis heeft Jan zich goed gedragen.
Uiterlijke kenmerken Jan: lengte 170 cm; haar donkerblond; wenkbrauwen donkerblond; voorhoofd breed; ogen blauw; neus gewoon; mond gewoon; kin rond; baard knevel; aangezicht ovaal; kleur gezond.
Bron: BHIC/ Strafgevangenissen

Verboden vervoer/ smokkelarij 5 januari 1917
Op 5 januari 1917 om 18:00 uur probeert Jan, samen met nog negen personen uit Steenbergen een hoeveelheid plantenvet van ongeveer 38 kg naar België te smokkelen. Op ongeveer 3 km van de grens op het grondgebied van Wouw en 300 meter van de kern van de Wouwse Plantage worden zij betrapt. Op 6 januari 1917 wordt door de ambtenaar van Rijksbelastingen in Wouw proces-verbaal opgemaakt. Op 18 juni 1917 vindt de rechtszitting in Breda plaats. Jan is hierbij niet aanwezig. Hij wordt bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken. Op 2 augustus 1917 wordt het vonnis door de deurwaarder bij hem thuis overhandigd. Op 20 oktober 1917 gaat hij in beroep en vraagt om gratie. Op 24 november wordt het verzoek afgewezen en wordt de opgelegde straf gehandhaafd. 
Jan wordt opgenomen in het gesticht op 13 april 1918 in Breda. Op 17 april 1918 wordt hij hier door de marechaussee opgehaald en overgebracht naar de bijzondere strafgevangenis in Den Haag. Op 25 mei 1918 wordt hij in vrijheid gesteld. Gedurende deze 6 weken in het gesticht heeft Jan zich goed gedragen.
Bron: BHIC/ Rechtbanken. Arrondissementsrechtbank Breda; Toegangsnummer 23; Inventarisnummer 563; Rolnummer 6059


W-X-gg Martinus van der Weegen, geboren 18 maart 1906

Openbare schennis der eerbaarheid 13  december 1921
Martinus wordt in 1922 door de rechtbank te Breda gedagvaard, omdat hij op 13 december 1921 nabij de openbare weg de Zuidzeedijk in Dinteloord openbare schennis der eerbaarheid heeft gepleegd. Op de rechtszitting verklaart Martinus dat hij op deze datum omstreeks half twaalf ’s morgens zich inderdaad op deze plaats bevond met een met een merrie bespannen kar. Voorts dat het van de openbare weg zichtbaar was dat hij, om zijn lusten te bevredigen zijn blote mannelijkheid gebracht heeft nabij de geslachtsdelen van de merrie en dat hij tegen het achterlijf van de merrie op- en neergaande bewegingen maakte. Toen hij de getuige van het voorval zag, heeft hij zijn broek dichtgedaan.
Hem wordt een geldboete van 10 gulden opgelegd en bij gebreke van betaling vervangen door plaatsing op een tuchtschool voor de tijd van één maand. ( De strafeis was 20 gulden boete).
Bron: BHIC/ Rechtbanken. Arrondissementsrechtbank te Breda; Toegangsnummer: 23; Inventarisnummer: 671; Rolnummer: 346


W-X-gx Rochus van der Wegen, geboren 14 maart 1897

Overtreding weggeld
Op 29 juni 1916 omstreeks 10:20 uur fietst Rochus op zijn rijwiel International N. 719678 in de gemeente Steenbergen op de macadamweg van Steenbergen naar Dinteloord. Aldaar wordt hij staande gehouden door de marechaussees Hoffman en Van Rumpt. Zij gelasten hem de bij het rijwiel horende rijkaart te tonen.
Hieraan kan Rochus niet voldoen, omdat hij een naar waarheid ingevuld beschrijvingsbiljet overeenkomstig de bepalingen van de verordening tot heffing van weggeld niet heeft ingeleverd ten kantore van de ontvanger der directe belastingen in Steenbergen. Op 28 september 1916 vonnist de Rechtbank te Breda: boete 2 gulden, zo nodig te vervangen door 4 dagen hechtenis. Rochus is hierbij niet aanwezig.
Op 30 oktober 1916 overhandigt de deurwaarder het vonnis ten huize van en aan zijn moeder in Dinteloord. Bijkomende kosten: 1,20 gulden.
Bron: BHIC/ Rechtbanken

Fietsen zonder verlichting 11 juli 1920
Op zondag 11 juli 1920 ‘s nachts om 00:45 uur fietst Rochus op de Steenbergseweg onder Dinteloord zonder rijwielverlichting op weg naar zijn woning in de Oud Prinslandschepolder. De Rijksveldwachter, de heer J.F. Huijsmans en de jachtopziener tevens onbezoldigd Rijksveldwachter, de heer van de Kasteele, ontgaat dat niet.  Rijksveldwachter Huijsmans beveelt met luide stem “Halt Rijkspolitie” en door zijn hand op te steken Rochus om af te stappen. Maar Rochus luistert niet; integendeel hij gaat sneller trappen. Dan wordt hij fysiek tegengehouden door Jachtopziener Van de Kasteele, die zo’n 25 meter verder staat. Laatstgenoemde verwondt door het forse rijden van Rochus daarbij een van zijn handen tot bloedens toe.
Rochus verklaart tegenover Van de Kasteele, dat hij het bevel tot stoppen duidelijk heeft gehoord. Hij heeft hieraan niet voldaan om een bekeuring te ontlopen, daar hij kortgeleden nog twee bekeuringen heeft gehad.
Het voorval is verder behandeld door de Kantonrechter in Zevenbergen.|
Over de veroordeling is nog niets bekend.
Bron: BHIC/ Rechtbanken Arrondissemnetsrechtbank Breda; Toegangsnummer 23; Inventarisnummer 661; Rolnummer 1634


W-X-hs Rochus van der Wegen, geboren 6 september 1903

Diefstal
Rochus is wegens diefstal, gepleegd als ambtenaar bij herhaling door de Krijgsraad te ’s Hertogenbosch (op 11 maart 1924 gewezen en op 8 april 1924 uitgesproken) veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf. De straf duurde van 15 april 1924 tot 27 mei 1924.
Rochus was ten tijde van de diefstal dienstplichtig huzaar; 4e eskadron II Reg. Huzaren te Breda
Uiterlijke kenmerken Rochus: Lengte 173 cm; haar donkerblond; wenkbrauwen donkerblond; ogen bruin; aangezicht ovaal; kleur gezond
Bron: BHIC/ Gevangenisregisters

Overtreding weggeld
Rochus is op 24 november 1930 door de Politierechter te Breda bij verstek veroordeeld tot een boete van 5 gulden vanwege overtreding van het weggeld. Rochus heeft met zijn rijwiel gebruik gemaakt van de openbare weg zonder daarvoor een beschrijvingsbiljet te hebben ingeleverd.
Bron: BHIC/ Rechtbanken


W-X-il Machiel (Gé) van der Weegen, geboren 16 februari 1904

Diefstal
Op of omstreeks 8 augustus 1920 wordt Machiel van der Weegen betrapt op het stelen van enkele peren en pruimen uit de afgesloten tuin van J.G.J. Peeters te Steenbergen, ter plaatse genaamd “De Wal”. De peren en pruimen worden door Gerardus Legius, veldwachter in de gemeente Steenbergen in de broekzakken van betrokkene aangetroffen. De veldwachter maakt proces-verbaal op.
Op 4 oktober 1920 vindt in Breda de Rechtszitting plaats. Het strafvoorstel luidt plaatsing in een tuchtschool twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en onder de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende één jaar onthoudt van het roken van sigaretten en dat hij zich gedurende de gehele proefperiode onder toezicht van kapelaan Konings stelt.
Op 18 oktober 1920 bepaalt de rechtbank dat Machiel de straf niet behoeft te ondergaan, tenzij hij zich gedurende de proefperiode van drie jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit of de hierna genoemde voorwaarde niet nakomt. Deze voorwaarde luidt: betrokkene stelt zich gedurende de proefperiode van drie jaren onder toezicht van kapelaan Konings te Steenbergen; tijdens deze periode dient hij zich te gedragen naar diens zienswijze.
Bron: Strafregister rechtbank Breda; Toegangsnummer: 23; Inventarisnummer: 659; Rolnummer: 1395

Overtreding tegen het weggeld
Op 9 december 1922 fietst Machiel op de weg van Steenbergen naar Willemstad onder de gemeente Dinteloord, als hij wordt staande gehouden door B. Hoekstra, opperwachtmeester van de marechaussee te Steenbergen. Machiel kan niet aantonen dat hij het weggeld (belasting op het gebruik van de fiets op de openbare weg) heeft betaald. Er wordt proces-verbaal opgemaakt.
Op 1 maart 1923 veroordeelt de rechtbank te Breda Machiel tot een boete van drie gulden. Bij gebreke daarvan wordt deze vervangen door een hechtenis voor de tijd van drie dagen.
Bron: Arrondissementsrechtbank te Breda; Toegangsnummer: 23; Inventaris: 677; Rolnummer: 168


W-X-in Adrianus (Arjaan) van der Weegen, geboren 10 oktober 1907

Overtreding weggeld
In 1927 (juiste datum onbekend) fietst Arjaan op de openbare weg in Dinteloord, als hij staande wordt gehouden door J. Schijven, veldwachter te Dinteloord. Op diens verzoek kan Adrianus zijn rijkaart niet tonen. Daaruit maakt de veldwachter op dat hij het weggeld (belasting op het gebruik van een rijwiel op de openbare weg niet heeft betaald. Er wordt proces-verbaal opgemaakt. Tijdens de rechtszaak op 17 oktober 1927 in Breda voert Adrianus niets ter verdediging aan. Hem wordt een boete opgelegd van 5 gulden, subsidiair 5 dagen hechtenis wegens overtreding van het weggeld.
Bron: Arrondissementsrechtbank Breda; Toegangsnummer 23; Inventarisnummer 707; Rolnummer 1324